Mijn vader zit graag met zijn handen in de klei.
Als klein meisje zie ik ‘m nog uit de schuur komen met kleismurrie tot op zijn ellebogen, door de tuin lopen en met duim en wijsvinger de tuindeur openen. Vervolgens werden de armen goed gewassen met water en zeep. Dat laatste kon mij uitermate bekoren.
Ouders willen graag hun kinderen kennis laten maken met hun hobby’s. Zo ook mijn vader, die graag wilde dat ik met klei overweg zou kunnen. We begonnen met het opbouwen van potjes uit ringen. Geen werk waar je handen al te vies van werden gelukkig. Toen ik begon te groeien en groot genoeg was om op de schopschijf te kunnen zitten, moest dat ook. Ik heb zegge en schrijve één potje uit mijn handen weten te wrochten. Ondanks dat het een hele ervaring was om te draaien, heb ik geloof ik erg zitten griezelen van de sensatie van de klei op mijn huid. Al die natte klodders aan je vingers en de uitgedroogde schilfers op je armen, yék! Ik wist niet hoe snel ik dat er weer van af moest wassen. En daarna was mijn huid uitgedroogd.
Dertig jaar later zit ik alsnog tot aan mijn ellebogen in de smurrie. Maar dit keer in heerlijke smurrie: water en olijfzeep. Na het vilten zijn mijn handen gehydrateerd en schoon! De enige overeenkomst die mijn vader en ik nu nog hebben is dat onze vingers vaak gerimpeld uit het creatieve proces komen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten